· 

Taalgebruik

Rond de 30 weken zwangerschap had ik een intake met de kraamzorg. Vanwege Corona was deze telefonisch in plaats van in persoon. Ik heb daar uiteraard alle begrip voor, maar heb er wel wat moeite mee. Ik heb, laat ik het noemen een lichte vorm van, autisme en vind telefonische gesprekken moeilijk. Een groot deel van een gesprek is lichaamstaal en dat kun je uiteraard niet zien door de telefoon. Zonder lichaamstaal kan ik slecht verwerken wat er gezegd wordt door iemand. Met andere woorden, wat er over de telefoon verteld wordt, komt bij mij gewoon niet binnen. 

Ik ben het verhaal een beetje aan het uitstellen merk ik. Dit was het enige gesprek met een zorgverlener in deze zwangerschap waar ik toch een beetje een meh gevoel van kreeg. Ondanks dat de mevrouw aan de telefoon toch overkwam alsof ze heel open stond naar de dingen die wij anders doen dan “standaard” (maar aan de telefoon weet je dat natuurlijk nooit zeker want lichaamstaal).

Het begon met de eerste vraag; “wil je borstvoeding of flesvoeding geven?”. Een standaard vraag en best een belangrijke vraag. Bij borstvoeding kun je meer kraamzorg uren krijgen omdat dat meer begeleiding zou kunnen vragen. Op mijn “borstvoeding” was het antwoord dan ook; “Dan krijg je 49 uur.” en ze ging door naar de volgende vraag.
Het helpt natuurlijk niet dat ik wat langzaam van begrip ben aan de telefoon, maar ik kan er niet zo goed tegen als er dan geen vraag wordt gesteld in de trend van ‘of ik het daar mee eens ben?’ of dat er ook maar een ruimte is om er op te reageren. Hoezo krijg ik 49 uur? Misschien wil ik helemaal geen 49 uur. Oké, het is een eerste indicatie, en je zit niet aan die uren vast, dat wordt nog aangepast als de kraamzorg er daadwerkelijk is, maar toch krijg ik er de kriebels van. 

Bij mijn oudste “kreeg” ik verplicht 64 uur kraamzorg. Ik was toen officieel namelijk een tienermoeder. De kraamverzorgster was super aardig en gezellig hoor, maar ze had het grootste gedeelte van de dag gewoon niks te doen.
Bij de tweede ben ik in conclaaf gegaan met de intake mevrouw. Ik had recht op 49 uur, maar die behoefte was er niet. We kwamen uit op 5 uur per dag (omdat een tweede toch weer heel anders is), maar na dag 3 is dat verlaagd naar 3 uur per dag. De kraamverzorgster had opnieuw weinig te doen de rest van de tijd. Ze zei dat ze zelden een gezin zo relaxed had gezien met een nieuwe baby.

Daarna kwamen er nog een heleboel standaard vragen. Heb je dit in huis, heb je dat in huis, et cetera. Op het meeste kan ik gewoon ja zeggen. Een aantal dingen heb ik niet, en zie ik het nut ook niet van in. Een aantal dingen zal ik nog wel kopen want dat is altijd handig om extra te hebben.
Tot de vraag “Heb je trappen in huis en hebben die een veilige leuning?”. Iets waar ik nog niet eerder aan gedacht had. Voorheen woonden we gelijkvloers, en de intakes waren bij ons thuis, dus dan heb je daar als intake persoon gelijk antwoord op. 

“Ja, we hebben 1 trap in huis en daar zit geen leuning aan, dat moet nog gebeuren.”. Na 2 jaar zijn we zelf gewend geraakt aan dat de trap geen leuning heeft, maar iemand die er een week is kan er natuurlijk niet echt aan wennen. Het was sowieso wel de bedoeling dat er nog een leuning zou komen, maar ja, je raakt er aan gewend, merkt het op een gegeven moment niet meer en dan denk je er niet meer aan. 

“Die moet je wel regelen hoor! Jullie zijn er aan gewend, maar straks valt de kraamverzorgster met je baby van de trap. Dat wil je toch niet!”. 

Oei… Dat vind ik een vervelende uitspraak. Een uitspraak die mij om twee redenen behoorlijk triggert. Dat besef kwam eigenlijk pas nadat de telefoon opgehangen was.

Ten eerste is het een uitspraak die (al dan niet bewust) bedoelt is om iemand bang te maken zodat die doet wat jij wilt. Iets dat je best vaak tegenkomt in de geboortezorg (alle zorg eigenlijk). De meest erge vorm daarin is wel de 'dode baby kaart', een kaart die jammergenoeg niet zelden gespeeld wordt. Tijdens mijn eerste bevalling kreeg ik hem zelf naar mijn hoofd gesmeten: "Als je zo blijft zitten gaat je baby dood!". Het was een regelrechte leugen. Ik vermoed dat ze geïrriteerd was omdat de CTG niet goed kon registreren en ze geen controle over mij had omdat ik op mijn hurken op de grond zat.

Informeer zwangeren eerlijk over álle risico’s (dus niet alleen van de ‘complicatie’, maar ook van de voorgestelde interventie) en als je het zelf niet ziet zitten om de zwangere in haar plannen te steunen, geef dat dan eerlijk toe! Daar heeft werkelijk iedereen veel meer aan. De zwangere kan op zoek naar een zorgverlener die er wel vertrouwen in heeft, en jij als zorgverlener raakt je bewust van iets waar je zelf misschien aan moet werken.

In het geval van de trapleuning gaat het waarschijnlijk meer om een arboregel, maar geef dat dan aan, in plaats van deze uitspraak. Als er geen trapleuning is, gaat de kraamverzorgster de trap niet op. Als het bed niet op klossen staat, maakt ze het bed niet op. Klaar. Ons bed kan bijvoorbeeld niet eens op klossen. Dan ben ik bereid om beneden een hoog bed, een matras op een tafel, of een massagetafel, neer te zetten voor controles, maar dat andere bed blijft gewoon laag. En die trapleuning? Die was er ook zonder deze uitspraak gekomen.

Ten tweede heb ik er moeite mee dat er van uit wordt gegaan dat de kraamverzorgster met de baby gaat rondlopen. Ik zal lang niet de enige moeder zijn die dat niet leuk vind of die zich er niet comfortabel bij voelt. Helemaal bij een eerste kindje is dat dan soms erg moeilijk aan te geven. Het is vaak toch een vreemde die je een week ziet en dan nooit meer. Het voelde bij mijn oudste al niet goed dat iemand anders hem vasthield, en toen had ik niet de kennis over hechting die ik nu heb. Maar mijn intuïtie had die kennis wel, ik durfde er alleen niet naar te luisteren, ik dacht dat ik raar was. Nu is dat anders, ik weet veel meer en sta veel sterker in mijn schoenen. Mijn baby blijft bij mij, bij papa, of eventueel bij een andere persoon die dicht bij ons gezin staat. Helemaal die eerste weken. 

Taal en formulering is een heel belangrijk middel in de beeldvorming van wat normaal is. De woorden die je gebruikt kunnen onbewust veel meer impact maken dan je denkt. Mijn verloskundige vertelde dat ze eens een zwangere huilend tegenover zich had gehad. De zwangere was bij een vorige bevalling veel bloed verloren en had te horen gekregen dat ze bij een volgende in het ziekenhuis ‘moest’ bevallen. Ze leek daar tijdens een afspraak niet erg blij mee, misschien wilde ze eigenlijk wel thuis bevallen. Toen de verloskundige haar vertelde dat ze helemaal niet in het ziekenhuis ‘moet’ bevallen, maar dat het een gunst is, moest de zwangere huilen. Dat het niet moet was een te verwarrende boodschap.
Zo kun je ook het idee hebben dat het vanzelfsprekend is dat de kraamverzorgster met je baby rondloopt. Ook als dat voor jou helemaal niet goed voelt. Je krijgt misschien zelfs het gevoel dat jij niet normaal bent, want waarom heb je moeite met iets dat “hoort”. Maar je bent juist hartstikke normaal, het is zo normaal als maar kan dat jij je baby het liefst helemaal niet los laat die eerste weken.

Er mag behoorlijk wat zorgvuldiger omgegaan worden met taalgebruik in de geboortezorg. Zwangeren angst aanpraten is voor niemand constructief, zwangeren vertellen dat ze dingen ‘moeten’ is pertinent niet waar. Het enige dat een zwangere op een gegeven moment moet, is bevallen. Waarbij ze het bij voorkeur zelf voor het zeggen heeft.

Heb jij tijdens je zwangerschap of bevalling wel eens te horen gekregen dat je je baby in gevaar zou brengen? Hoe voelde je je daar bij? En heb je als ouder wel eens het idee gehad dat jouw gevoel niet normaal is? Hoe ging je daar mee om? Vertel het in de reacties.

Reactie schrijven

Commentaren: 0